Een druilerige, saaie dag die beroering krijgt door het bezoek van een argeloze Heggenmus juveniel in de tuin.
Na het boodschappen doen, trof ik het vogeltje aan. Ouders uit het zicht. Het jong nog geen enkel benul van een boze buitenwereld. Al wel in een fase dat het zelf moet leren scharrelen. Dat leken de ouders te menen.
Het zat minutenlang stil op een plek bij het vogelzaad. Alleen. Zo goed als roerloos. Ik bekeek het vanuit de woonkamer en hield mijn adem in.
Ik dacht eerst dat het jong mogelijk gegrepen was door een buurtkat en ter plekke was achtergelaten. Ik besloot er naar toe te gaan en naderde voorzichtig op hooguit anderhalve meter afstand. Toen ik er zo goed als naast stond, begon het van de zaadjes te pikken, waarna het uiteindelijk wegrende en zich onder de hydra veilig stelde.
Katten, Sperwers, Gaaien ...
Vaak verwonder ik me over het feit dat er nog vogels vliegen. Dat vogeljongen de volwassen staat bereiken en dan eindelijk weten hoe de vogelwereld werkt.
Bij het ervaren van zo'n vogel-moment vraag ik me ook altijd weer even af wat toch de betekenis van dit alles is. Alles wordt geboren om weer als voedsel te dienen voor ander leven in de voedselketen. Elkaar nodig hebben voor het overleven. Voedselvoorziening, elke dag weer. De ongepolijste, harde waarheid hier. Het aardse veld.
Laatst sprak iemand: 'Wen er nou maar aan ...'. Een zucht.
Een zucht geeft lucht aan een hart vol smart.