Marc Chagall
Hooglied 7: 12-14
12 Kom, mijn lief,
laten we het veld in gaan,
en tussen de hennabloemen slapen.
13 Laten we de wijngaard in gaan, morgenvroeg,
en kijken of de wijnstok al is uitgebot,
zijn bloesems al ontloken zijn,
de granaatappel al bloeit.
Daar zal ik jou beminnen.
14 De liefdesappels geuren al.
Boven onze poorten hangt een keur van vruchten
vers geplukte, goed gedroogde.
Mijn lief, ik heb ze bewaard voor jou.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten